Google
Stuur een mail naar de Begeleidingsdienst voor Vrijescholen: P. van Meurs
                                                                  
Taalbeschouwing overzicht:

                 Brede beschrijving van jaaraanbod   

  • kleuterklas
  • klas 1
  • klas 2
  • klas 3
  • klas 4
  • klas 5
  • klas 6

1

Een schets van de lesstof van de eerste klas voor taalbeschouwing

 

 

Amper vier jaar oud komt de kleuter aan de hand van een ouder voor het eerst in de kleuterklas. Verlegen blijven de meeste kinderen de eerste tijd dichtbij hun juf. Hoe anders is het wanneer aan het eind van het jaar de oudste kleuters na twee jaar in de kleuterklas te hebben gezeten blijk geven aan leren toe te zijn en uit te kijken naar de grote school. In de twee jaar kleutertijd heeft zich een grote verandering voltrokken. Maar om de ontwikkeling te beschrijven kunnen toch telkens dezelfde drie begrippen centraal staan: fantasie, nabootsing en eerbied.

fantasie

In de kleutertijd ontwikkelt het kind de voorwaarden voor het leren. Spelen bevordert de gezonde fysieke ontwikkeling en vormt de basis van het latere leren. Het spel is een doel op zich en wordt niet ingezet als leermiddel. In het vrije spel mag een kind vrij kiezen wat het wil spelen, want ieder kind is uniek en komt met een specifieke ‘ontwikkelingsvraag’ op aarde. De fantasie is een voorwaarde voor ontwikkeling. Door de fantasie neemt het kind bezit van de wereld, het gaat ontdekken, vormt eigen denkbeelden en neemt initiatief. Wanneer deze fase goed doorleefd wordt, kan het kind makkelijker incarneren. Het hoogtepunt van de ontplooiing van de fantasie ligt ergens in het midden van de kleutertijd. Om de fantasie optimaal te stimuleren wordt rekening gehouden met een tweetal criteria bij het materiaal; natuurlijke materialen en brede inzetbaarheid. Speelgoed dat gemaakt is van natuurlijke materialen voelt prettiger aan en nodigt meer uit tot aanraken. Deze zintuigervaring maakt dat het kind zich meer verbindt met de aarde. Speelgoed dat geen vooropgezet doel heeft, maar dat je iedere keer weer op een andere manier kunt gebruiken, stimuleert de fantasie het meest. Een puzzel wordt moeilijk iets anders, terwijl een blok behalve een douchekop ook een auto kan worden, om even later toch echt een lekkere taart te kunnen voorstellen. Veel poppen in de vrijeschool kleuterklas zijn daarom herkenbaar ‘niet af’ met hun globaal aangeduide gezichtjes en zachte wollen lijf.

nabootsing

In de kleuterklas worden activiteiten waarin de kinderen vrij spelen afgewisseld met activiteiten waarin de nabootsing gestimuleerd wordt. In het ochtendspel (ook wel ambachtsspel of cultuurspel genoemd) dat op verschillende kleuterklassen wordt gespeeld neemt de juf de kinderen door middel van een klassikaal spel mee in bewegingen. Dat kunnen ambachten zijn die worden uitgebeeld, elementen als de wind kunnen aan bod komen en beleefd worden, of dieren worden uitgebeeld. Kinderen doen mee met de juf en bootsen na, of helpen mee verzinnen hoe het spel zal verlopen. Ze spreken mee met de versjes en ‘tongtwisters’ zoals de klassieker Leentje leerde Lotje lopen langs de lange Lindenlaan…’.  Bij de handgebarenspelletjes beelden de juf en de kinderen met kleine handgebaren de gedichten uit die ze samen opzeggen. Uit de nabootsing leert het kind de dingen doen. Jonge kinderen bewegen vaak nog wat meer vrijblijvend mee, de oudere kleuters worden uitgedaagd om de gedichtjes of de gebaren ook echt heel precies mee te zeggen en te doen. Goed voorbeeld doet volgen, is de opvatting. 

eerbied

De klas ademt de sfeer van het seizoen. De juf zorgt ervoor dat de kinderen betrokken worden bij wat zich in de natuur voltrekt door de inrichting, maar ook door het spel dat ze kiest en de verhalen die ze vertelt. Alles is afgestemd op het natuurlijke ritme van de seizoenen en de jaarfeesten. De aandacht waarmee de juf de dingen doet, is een voorbeeld voor de kinderen. Wanneer er een popje is gevallen raapt zij het niet zomaar op, maar  troost zij het een beetje en uit dat kleine gebaar leren de kinderen met zorg omgaan met de spullen in de klas.

 

 

Wat staat er in de schema’s van taalbeschouwing?

 

Gebruik van taal

Functies van taal

Taal zien als middel om je te uiten

Communicatieve situaties

Concrete situaties

Woord- en zinsbetekenis

Ontdekken van de gevoelswaarde

Taalvariatie

Ontdekken van taalvariatie

Er is een grote samenhang tussen de verschillende items voor het gebruik van taal, maar we bespreken ze even afzonderlijk van elkaar om duidelijk te maken wat bedoeld wordt:

 

Taal zien als middel om je te uiten

Bij veel kleuters is het besef al goed doorgedrongen dat de omgeving het op prijs stelt wanneer je taal gebruikt om duidelijk te maken wat je bedoelt. Veel kinderen komen verbaal sterk ontwikkeld op school. Zij weten heel goed dat je taal gebruikt om je te uiten. Het komt steeds vaker voor dat kinderen hier haast teveel van doordrongen zijn. Kinderen die sterk op volwassenen gericht zijn, zijn vaak zo verbaal ingesteld dat ze niet meer gewoon kunnen meedoen, gewend als ze zijn om te argumenteren. Maar waar het hier om gaat is dat we ook kinderen zien waar de functie van taal nog niet sterk is ontwikkeld. Aan sommige jonge kleuters bijvoorbeeld is nog te merken hoe ze een tijdlang zonder woorden gecommuniceerd hebben. Huilend vallen ze op de grond wanneer iets anders verloopt dan ze bedoelden. Ze wijzen aan, of gebruiken het enkele woord ‘beker’ als ze graag willen dat de beker wordt opengedraaid, ze zeggen ‘die’ als ze een bepaald stuk speelgoed willen gebruiken. Iedere kleuterleidster besteed er aandacht aan de kinderen te leren zich uit te spreken. ‘Vertel het maar, wat is er?’, en zonder er over te spreken, raken de kinderen talig. Ze leren dat het wenselijk is om je in woorden uit te drukken.

In een enkel geval kan een oudste kleuter dat ook al schriftelijk.

 

Concrete situaties

In situaties zoals die zich voordoen in de klas, leren de kinderen communiceren met elkaar en met de kleuterleidster. In de kring luisteren en praten ze met elkaar. Vanuit de gewoontevorming worden de basale gespreksregels in de praktijk aangeleerd. Dat gebeurt de hele dag door, bij iedere activiteit weer.

Ontdekken van de gevoelswaarde

Woorden hebben een bepaalde gevoelswaarde. Vertellen over een ‘woud’ roept een andere stemming op dan vertellen over een ‘bosje’. De plechtige, gedragen klank van het eerste woord, past bij een sfeer van geheimzinnigheid en donkere woeste wezens, terwijl het lossige en haast vrolijk klinkende ‘bosje’ weer beter past bij bijvoorbeeld een verhaal met hippende dieren, met kleine vluchtige bewegingen en een volkomen andere sfeer oproept. Een kleuterleidster kies bij de gedichtjes die ze gebruikt en de verhalen die ze vertelt, zorgvuldig voor woorden en zinnen die haar aanspreken. Hierdoor leren de kinderen de gevoelswaarde van de taal kennen. Ze leren het ook actief gebruiken, wanneer ze een kerstspelletje opvoeren bijvoorbeeld. Dan leren ze uit de nabootsing de gebaren maken die passen bij de rol. Als boze waard bijvoorbeeld zetten ze hun woorden kracht bij, wanneer ze met een bezem op de grond stampen terwijl ze ‘nee er is hier geen plaats, scheer je weg’ zeggen.

Ontdekken van taalvariatie

Kinderen ontdekken dat ieder mens een eigen manier heeft om de dingen te zeggen. Ze merken dat oma altijd een beetje anders praat dan mama en wanneer er een keer een stagiaire in de klas is met een Vlaams accent dan hebben ze een eindeloos plezier in het nadoen ervan en blijven ze zich verbazen over ‘hoe gek ze praat’.

 

Vorm en klank van taal:

Tekensystemen

Herkennen tekensystemen (vertelkaars, kralenketting, pictogram e.d.) als vormen van taal

Klankverschijnselen en ritmische eigenschappen

Spelen met eindrijm, alliteratie woordverbastering

Woordvorming

Herkennen afzonderlijke woorden in samenstelling

De structuur van taal

Niet aan de orde

 

Herkennen tekensystemen (vertelkaars, kralenketting, pictogram e.d.) als vormen van taal

In de kleuterklas worden verschillende symbolen gebruikt om een talige inhoud aan te geven. Een kind dat leert dat het pas naar de w.c. kan gaan wanneer de ketting aan het haakje hangt, leert dat de ketting symbool staat voor het onbezet zijn van de w.c. Dat kind leert dat een tekensysteem (in dit geval de ketting) een vorm van taal is. Het betekent iets. Een juf die een kaartje op haar tafel zet om aan te geven welke dag het is, tekendag, schilderdag of wandeldag, leert de kinderen dat het symbool betekent dat de kinderen iets gaan doen. Het kaartje staat voor een handeling, een gebeurtenis. En dat aangeven is een taalactiviteit. Het herkennen daarvan is een van de tussendoelen beginnende geletterdheid. Het is een stap op weg naar leren lezen en schrijven.

Spelen met eindrijm, alliteratie woordverbastering

In de kleuterklas ontwikkelen de kinderen taalbewustzijn. Meestal in het laatste kleuterjaar beginnen de kinderen met rijmen, spelen met klanken, verbasteringen en ontwaakt een besef van begin en eindklank van woorden. Ook hier weer is het aanbod, de versjes, gedichten, voorleesboeken, verhalen en herhaalsprookjes, de bron waar uit kinderen de putten en een gevoeligheid voor klankverschijnselen en ritmische eigenschappen beginnen te ontwikkelen.

Herkennen afzonderlijke woorden in samenstelling

Kinderen in de kleuterklas gaan spelen met woorden en samenstellingen van woorden. Niet alleen herkennen ze de afzonderlijke woorden in een samenstelling, zoals bijvoorbeeld dierendag is de dag van de dieren, maar ook maken ze zelf vaak nieuwe samenstellingen. Het meisje hieronder is zes jaar oud en schrijft thuis een brief aan juffie over de duiven. Ze schrijft over een duivenfamilie waarin moeder duif duivenaardappelpuree maakt:

 

Vamili deuv

 

Vroeg en de ogtent zonge de deuv hen lidere en det zonge

Ze van roekoe en nog ens roekoe didag genge ze met

Vader op jagt moder was teus deuve arda pol pure an het

Make wat de vamili leker vont savons kwame ze teus ze

Zyi de wat reukt het hitleker ja zyi moder want ik hep

Deuv arda pol purei gemakt jami zyi de deuve vamili

 

(Vroeg in de ochtend zongen de duiven hun liederen, en dat zongen ze van roekoe en nog eens roekoe. Die dag gingen ze met vader op jacht. Moeder was thuis duivenaardappelpuree aan het maken, wat de familie lekker vond. ’s Avonds kwamen ze thuis. Ze zeiden:”Wat ruikt het hier lekker.” “Ja, zei de moeder, “want ik heb duivenaardappelpuree gemaakt.”  “Jammie”, zei de duivenfamilie.)

 

Wat is de gebruikelijke lesstof in de kleuterklas?

In de kleuterklassen neemt taal een centrale plaats in. Taal is verweven met het hele dagprogramma. In de ochtendspelen, ook wel arbeidsspel of cultuurspel genoemd, spreken juf en kinderen samen een aantal weken lang hetzelfde verhaal. Bijvoorbeeld het verhaal van de boer die zijn knol uit de grind ging halen en daarbij zijn vrouw, zijn kind, de hond, de kat nodig had om hem er tenslotte pas met behulp van de kleine muis uit te kunnen trekken. Er worden gedichtjes gezegd en bewogen, er wordt voorgelezen en in de kring met elkaar gepraat. In veel kleuterklassen is het gebruikelijk om een klassenkabouter de kring te laten rondgaan, aan wie de kinderen kunnen vertellen wat ze hebben meegemaakt die dag. En bij al deze activiteiten komt telkens een aspect van taal impliciet aan bod.

 

Wat staat er in de schema’s schrijven, lezen en mondeling voor de kleuterklas?

 

Gespreksvaardigheid en spreekvaardigheid

  1. alledaagse communicatie

Simpele communicatieve functies bijvoorbeeld groeten, daarbij oriënteren op de functie van spreektaal

  1. institutionele communicatie

Schoolse voorwerpen en activiteiten benoemen, daarbij reflecteren op concreet zijn

  1. deelnemen aan diverse gespreksvormen

Korte dialoogjes met de kleuterleidsters en de kinderen, kringgesprek, daarbij oriënteren en reflecteren op niet voor de beurt spreken (gespreksregels)

  1. uit- en overdragen van gedachten, meningen, gevoelens, wensen in de eigen taal

Vertellen van eigen belevenissen aan tafel of in de kring

  1. informatie geven

Vertellen wat er aan de hand is, daarbij reflecteren op duidelijk zijn

  1. verbale expressie

Rol in kerstspel spreken of rollenspel + versjes, gedichtjes, kringspelen en spreuken, daarbij reflecteren op eenheid in woord en gebaar

  1. spreektechniek

Klankoefeningen verstaanbare uitspraak

 

Luistervaardigheid

  1. alledaagse communicatie

Luisteren naar een simpel verzoek

  1. institutionele communicatie

Luisteren naar gedragsaanwijzingen, daarbij oriënteren op aandacht richten

  1. luisteren in diverse gespreksvormen

Luisteren in een kringgesprek, daarbij oriënteren op aandacht richten

  1. luisteren naar informatieve teksten

Geluidssignalen herkennen

  1. luisteren naar fictionele teksten

Prentenboeken, liedjes, versjes en herhaalsprookjes

Bij alle items reflecteren op:reageren op wat je hoort

 

Lezen van teksten

  1. lezen van fictionele teksten

Platen, prentenboek, tekeningen, daarbij oriënteren op verkennen functie spreektaal, daarbij reflecteren op wat ze zien

  1. lezen van informatieve teksten

Pictogrammen, daarbij oriënteren op verkennen functie spreektaal, daarbij reflecteren op functie symbolen, afbeeldingen

  1. leespromotie

Vertellen, voorlezen, boekenhoek

  1. technisch lezen

Letters herkennen (eigennaam)

 

Schrijven van teksten

  1. oriëntatie op schrijven

Verkennen functie schrijftaal (tekeningen)

  1. schrijven van expressieve teksten

Tekenen van een werkelijkheid

  1. schrijven van informatieve teksten

Tekenen + ‘letters en woorden’

  1. bespreken en herschrijven van teksten

Korte gesprekjes met de leerkracht over functie tekenen/ schrijven

  1. verzorgen (editeren) van teksten

Tekening kleuren, ‘woorden’ versieren

 

Hoe past de inhoud uit de schema’s taalbeschouwing daarin?

In concrete situaties in de klas komen de items uit de schema’s gespreksvaardigheid en luisteren aan bod. En bij die inhouden wordt aangesloten met taalbeschouwing. Een kleuterleidster plant geen afzonderlijke taallesjes. De momenten waarop kinderen spreken met elkaar of tegen de juf, luisteren in de kring of individueel, tekenen, of blijk geven van beginnende geletterdheid, zijn de momenten waarop op taalbeschouwende wijze de kleuterleidster bepaalde aspecten even op licht voor de kinderen. Vaak zijn dat heel korte interacties. Wanneer een kind voor de beurt praat, of door de woorden van een ander heen roept, grijpt de kleuterleidster op vanzelfsprekende wijze in. ‘Zo doen we dat niet, want dan kan je elkaar niet verstaan’. Vanuit de gewoontevorming worden de basale gespreksregels in de praktijk aangeleerd. Dat gebeurt de hele dag door, bij iedere activiteit weer. De ketting staat symbool voor de w.c. die niet bezet is. Het betekent iets. Wanneer een verhaal spannende wordt verteld en met gevoel voor de samenhang van klank van de woorden men hun betekenis, leren de kinderen de gevoelswaarde van de woorden kennen.

Terecht kan hieruit de indruk ontstaan: als we dit allemaal al goed doen, wat moet er dan anders? Wat voegen de schema’s toe? Behalve dat het altijd goed is om je aanbod inzichtelijk te beschrijven en te weten op welke fundamenten het verdere taalonderwijs gaat bouwen, is er nog een aspect waar binnen de vrijeschool meer aandacht naar toe mag gaan in de kleuterleeftijd. En dat is het gegeven dat taal niet alleen geleerd wordt door het rijke aanbod en het goede voorbeeld, maar ook door het veel te kunnen doen. Het aanbod binnen de kleuterklassen is zonder meer rijk te noemen. Er is een talige omgeving geschapen, waarin veel aandacht is voor verhalen en vorm en klankaspecten van taal. De gelegenheid om met elkaar te spreken, om als kleuter zelf uit te proberen hoe het klinkt, om veelvuldig te mogen zoeken naar woorden en uitdrukkingen op je eigen tong te mogen proeven, is in sommige klassen minder. Omdat het fijn is als de kinderen stil en in eerbied geconcentreerd aan het werken zijn, ontstaat bij sommige kinderen de gedachte dat het wenselijk is om altijd op school stil te zijn. Alleen in het vrije spel laten zij zich horen. Door dit bewust in het achterhoofd te houden, zal een kleuterleidster op zoek blijven naar momenten waarop de kinderen hun taal actief kunnen gebruiken. We verwijzen voor suggesties hiervoor naar het vorige hoofdstuk.

Je zou kunnen zeggen dat in de overgang van kleuterklas naar eerste klas geleidelijk een verschuiving op treedt van taal stimuleren naar taal onderwijs .

 

 

 

 

1

 

 

Een schets van de lesstof van de eerste klas voor taalbeschouwing

 

De eerste klas

‘Wij gaan leren lezen’. Met hoge verwachtingen beginnen de kinderen aan de eerste klas. Nu komt het er op aan; zij zijn echt groot en gaan behoren tot die geheimzinnige wereld van de grote school. Samengedromd bij de schooldeur, de een verlegen, de ander juist heel druk en overmoedig, staan ze letterlijk klaar om de drempel over te stappen. Al na een week hebben ze hun juf of meester vaak tot wanhoop van de ouders hoog op een voetstuk geplaatst. ‘Mijn juffie zegt dat je nooit met je voeten op tafel mag…’en zie dan als ouders je gezicht maar in de plooi te houden, want het gaat natuurlijk niet aan om een kind van deze leeftijd de boodschap mee te geven dat juffie ongelijk heeft… De zekerheid van zo hoort en zo gaat het is nog heel belangrijk voor de kinderen. En omdat de kinderen uit verschillende kleuterklassen komen, moet daar veel aandacht aan worden besteed. Ze brengen immers verschillende gewoontes mee. Het duurt een paar maanden voor ze een groep vormen. Ze leren niet alleen elkaar kennen, maar ook de gewoontes van de lagere school. Het gaat niet zonder slag of stoot. Veel kinderen hebben halverwege het jaar een dip, waarin ze graag weer eens op bezoek gaan in de kleuterklas; om te spelen, of om te helpen, of om gewoon weer even lekker helemaal niets te hoeven.

Alle lesstof wordt aangeboden vanuit de motoriek. Er worden lettervormen gelopen, groot in de lucht getekend, of klein op een rug van een klasgenootje. Er wordt heen en weer gesprongen op de getallenlijn, gestampt en geklapt om de tafelrijen te leren herkennen. Hinkelen, springen, kringspelen maken deel uit van de lesstof. Eerst doen, dan beleven en tenslotte begrijpen is het motto. De kinderen raken vaardiger en steeds meer thuis in hun lichaam. En pas wanneer ze voldoende hebben bewogen, voldoende tot in de tenen zijn geactiveerd, heerst er in de klas de rust en concentratie die nodig is om prettig te kunnen werken.

De eerste klas is de klas waarin op veel gebieden de basis wordt gelegd. Er wordt veel aandacht besteed aan vaardigheden die nodig zijn voor het verdere leren: bijvoorbeeld de schrijfmotoriek en de juiste schrijfwijze van letters, de pengreep, of het leren onderscheiden van klank en betekenis van een woord. Bij het rekenen verkennen de kinderen de wereld van de getallen met behulp van concreet materiaal. Ze beginnen met automatiseren, maken kennis met het tientallig stelsel. In de eerste klas wordt de overgang gemaakt van het meer impliciete leren van de kleuterklas, naar het expliciete leren van de benedenbouw.

En iedere dag wordt er een sprookje verteld. Tijdens het verhaal wordt het stil in de klas. Dromerig, vaak nog met een duim in de mond, leven de kinderen mee met de verhalen waarin het goede altijd overwint.

 

  

Wat staat er in de schema’s van taalbeschouwing?

 

Gebruik van taal

Functies van taal

Taal zien als middel om te communiceren

Communicatieve situaties

Abstractere situaties (telefoongesprek)

Woord- en zinsbetekenis

Synoniemen

Taalvariatie

Waarnemen, vergelijken andere taal en moedertaal

Taal zien als middel om te communiceren

Een van de belangrijkste opgaven in de eerste klas is om de kinderen te leren met elkaar te spreken en naar elkaar te luisteren. Aanvankelijk verloopt de hele communicatie via de leerkracht. De grootste valkuil van de leerkracht is om te herhalen wat ieder kind zegt en zo als een soort squashmuur gaat fungeren; het kind maakt een opmerking, de leerkracht herhaalt, een ander kind reageert, de leerkracht herhaalt. Veel van wat in de ze schema’s bij taalbeschouwing genoemd staat, zal in de eerste klas bij het aanleren van mondelinge taalvaardigheden aan bod kunnen komen. Bij het aanleren van gewoontevorming, een pijler in de eerste klas, past op taalgebied het aanleren van bijvoorbeeld gespreksregels.

Abstractere situaties (telefoongesprek)

Hiermee wordt bedoeld dat kinderen in de communicatieve situatie leren omgaan met abstractere situaties dan de concrete situaties zoals die bij de kleuterklas werden bedoeld. Een telefoongesprek is daar een voorbeeld van; het is een gesprek waarbij je minder non verbaal kunt communiceren. Maar ook het doorgeven van wat een ander zei, is abstracter dan vertellen wat je zelf denkt. Of vertellen over een verhaal dat een leerkracht je vertelde, is abstracter dan vertellen over een gebeurtenis die je zelf hebt meegemaakt. Soms laten leerkrachten kinderen berichtjes doorgeven aan een andere leerkracht of de conciërge, speciaal om ze op dit gebied een beetje te stimuleren, een voorbeeld is het plaatsen van een bestelling schriften. Voor bijvoorbeeld een heel dromerig kind, waarvan je je afvraagt wat het oppakt uit de les, of het wel hoort wat er wordt gezegd en besproken, kan dit een sterk wakker makende werking hebben.

Synoniemen

Kinderen kijken met meer afstand naar taal wanneer ze ontdekken dat er voor een ding meerdere woorden zijn, of ontdekken dat je hetzelfde op een andere manier kunt zeggen. Eerste klassers kunnen met veel plezier proeven hoe die woorden zich tot elkaar verhouden en willen leren aanvoelen of ze echt hetzelfde betekenen, of dat er toch een nuance verschil is. Past poes nu beter bij het woord dan kat? Is terug hetzelfde als achteruit?

Waarnemen, vergelijken andere taal en moedertaal

Kinderen ontdekken niet alleen dat ieder mens een eigen manier heeft om de dingen te zeggen, maar ze merken ook dat er verschillende talen bestaan. Zoals een eerste klasser zijn juf vertelde direct aan het begin van het schooljaar:”Juf, het was zo knap, die kindjes die heel klein waren die konden al heel goed Frans praten.” In deze leeftijd pakken kinderen de taal nog op heel vanzelfsprekende wijze op. Een vreemde taal op deze leeftijd leren gaat veel sneller, dan wanneer een volwassenen een vreemde taal wil leren spreken. Om deze reden wordt er op de vrijeschool al in de eerste klas onderwijs gegeven in Engels, Duits of Frans. Liedjes, spelletjes, kringspelen, liefst door iemand waarvoor de taal de moedertaal is aangeleerd, prenten zonder al te veel moeite de juiste uitspraak in.

 

Vorm en klank van taal:

Tekensystemen

Geven van voorbeelden van tekensystemen uit het dagelijks leven en van klank en gebaar in vocalen en consonanten bij euritmie

Klankverschijnselen en ritmische eigenschappen

Halfrijm, analoge rijen

Woordvorming

Spelen met samengestelde woorden (woordkettingen)

De structuur van taal

Niet aan de orde

Geven van voorbeelden van tekensystemen uit het dagelijks leven en van klank en gebaar in vocalen en consonanten bij euritmie

Bij de euritmie les maken de kinderen de gebaren mee die horen bij het gesproken woord. Natuurlijk zijn de euritmische gebaren meer dan een tekensysteem, maar passen klank en beweging zo op elkaar

Halfrijm, analoge rijen

Spelen met samengestelde woorden (woordkettingen)

 

Wat is de gebruikelijke lesstof in de eerste klas?

 

Wat staat er in de schema’s schrijven, lezen en mondeling voor de eerste klas?

 

Gespreksvaardigheid en spreekvaardigheid

  1. alledaagse communicatie

Aanspreekvormen, beleefdheid, daarbij oriënteren op spreektaalvormen

  1. institutionele communicatie

Vertellen wat ze gedaan hebben, daarbij reflecteren op feitelijk zijn

  1. deelnemen aan diverse gespreksvormen

Deelnemen aan een klassikaal leergesprekje, daarbij oriënteren en reflecteren op bij het onderwerp blijven

  1. uit- en overdragen van gedachten, meningen, gevoelens, wensen in de eigen taal

In kleine rollen zichzelf verwoorden voor de klas

  1. informatie geven

Eenvoudig spel uitleggen, daarbij reflecteren op structuur volgorde

  1. verbale expressie

Rol toneel voor anderen, versjes, gedichten in kleine groep, daarbij reflecteren op gebaren ter ondersteuning van het woord

  1. spreektechniek

Ritmische spreekoefeningen

 

Luistervaardigheid

  1. alledaagse communicatie

Luisteren naar meerledige verzoeken

  1. institutionele communicatie

Luisteren naar een eenvoudige opdracht, daarbij oriënteren op functie luisteren

  1. luisteren in diverse gespreksvormen

Luisteren in groepsgesprek, daarbij oriënteren op functie luisteren

  1. luisteren naar informatieve teksten

Luisteren naar herkenningsmelodieën/ aankondigingen

  1. luisteren naar fictionele teksten

Luisteren naar korte eenvoudige verhalen en langere sprookjes

Bij alle items reflecteren op:reageren op functie tekst

 

Lezen van teksten

  1. lezen van fictionele teksten

Leesboekjes, elkaars teksten en teksten van de leerkracht, daarbij oriënteren op verkennen boeken/ teksten en reflecteren op functie van boek

  1. lezen van informatieve teksten

Bordteksten, opschriften, etiketten e.d., daarbij oriënteren op verkennen boeken/ teksten en reflecteren op functie boeken, teksten

  1. leespromotie

Leesboekjes

  1. technisch lezen

Decoderen, verklanken

 

Schrijven van teksten

  1. oriëntatie op schrijven

Verkennen onderwerp concreet + dichtbij

  1. schrijven van expressieve teksten

Schrijven van korte teksten (één inhoudselement) fantasieverhaal

  1. schrijven van informatieve teksten

Schrijven van korte teksten (één inhoudselement) uitnodiging, boodschappenlijstje

  1. bespreken en herschrijven van teksten

Korte gesprekjes met leerkracht over onderwerp

  1. verzorgen (editeren) van teksten

Verdeling bladspiegel

 

Hoe past de inhoud uit de schema’s taalbeschouwing daarin?

Alle items die genoemd worden in de schema’s taalbeschouwing, vinden hun plek in lessen mondelinge taalvaardigheden (spreken en luisteren) en schriftelijke taalvaardigheden (schrijven en lezen). Daarnaast is het niet perse noodzakelijk dat de inhoud in taallessen aan bod komt. Dit wordt taal bij andere vakken genoemd. Door  onderwerpen die bij elkaar passen of op elkaar aansluiten uit de verschillende schema’s in de voorbereiding op te nemen, ontstaat er samenhang in de periode. Het is ondoenlijk om alles aan bod te laten komen in één taalperiode. Iedere leerkracht maakt daarin de eigen keuze, maar door bij elkaar te plaatsen wat bij elkaar past en wat past bij de specifieke klas wordt het aanbod dekkend. In drie taalperiodes in het jaar, kan alles ruimschoots aan bod zijn gekomen. We geven twee voorbeelden van hoe in één periode verschillende items uit de verschillende schema’s tot een geheel kunnen worden gevormd, waarin taalbeschouwing op een geheel vanzelfsprekende wijze kon worden opgenomen in het aanbod.

 

 

De schema’s

De periode

 

 

 

 

 

 

1

 

Een schets van de lesstof van de tweede klas voor taalbeschouwing

 

De tweede klas

In de tweede klas leren de kinderen om steeds langer aaneengesloten geconcentreerd aan het werk te zijn. Dat is op verschillende gebieden te zien; in het plezier om langdurig en op eigen wijze de schriften te verzorgen, in het steeds gerichter zelfstandig willen inoefenen van leervaardigheden en in het vermogen om een spel buiten echt uit te spelen. Samenwerking hoeft steeds minder door de leerkracht gestimuleerd te worden. Vanzelfsprekend zoeken de kinderen elkaar op om elkaar te helpen of te stimuleren. Spontaan wordt een lied ingezet in een groepje samenwerkende kinderen en couplet na couplet uitgezongen. Initiatief wordt genomen, waardoor de individuele kinderen meer zichtbaar worden. De blik waarmee de kinderen naar alles wat zich om hen heen afspeelt kijken wordt scherper. Soms zelfs erg scherp, want het hart van een tweede klasser ligt op de tong. Vriendschappen en emoties wisselen nog snel. Kinderen proberen daarin ook met zichtbaar plezier waar de grenzen liggen. Hoe reageert een klasgenoot wanneer ik boos doe? Hoe reageert een leerkracht, wanneer ik niet gehoorzaam? Op de meest onverwachte momenten tonen de kinderen hun vindingrijkheid in het omgaan met regels en afspraken. Openhartig en spontaan zijn ze wanneer situaties worden nabesproken. Ze willen zo graag leren hoe het allemaal moet.

De vertelstof van het jaar zijn de fabel en legende. In de fabels worden dieren met menselijke karaktereigenschappen op scherpzinnige wijze neergezet. De dieren zijn sluw, moedig, gulzig en daarin onverbeterbaar. Ze houden een spiegel voor door hun eenzijdigheid en uitvergrote eigenschappen. De legende handelt over mensen die tot inzicht zijn gekomen. De heilige was niet altijd heilig. Zowel uit de fabel als uit de legende spreekt een natuurlijke moraal, waarbij een oordeel over goed en kwaad onuitgesproken blijft.

Een ander thema dat het hele jaar door verschillende lessen verweven is, is te karakteriseren met het woord ‘dialoog’. Zo vinden we in de schilderlessen de oefeningen tussen de complementaire kleuren, in de vormtekenlessen de spiegeloefeningen, in de muzieklessen de vraag- en antwoordliedjes, in de gesprekken het oefenen met elkaar te spreken en in de fabels de letterlijke dialoog.

 

De tweede klas inhoud

 

 

 

 

 

Wat staat er in de schema’s van taalbeschouwing?

 

Gebruik van taal

Functies van taal

Taal zien als middel om gedachten te ontwikkelen

Communicatieve situaties

Kijken naar verschillen gesproken en geschreven taal

Woord- en zinsbetekenis

Letterlijke en figuurlijke betekenis

Taalvariatie

Verschillen in moedertaal (dialect, sociolect)

Taal zien als middel om gedachten te ontwikkelen

Kijken naar verschillen gesproken en geschreven taal

Letterlijke en figuurlijke betekenis

Verschillen in moedertaal (dialect, sociolect)

 

Vorm en klank van taal:

Tekensystemen

Ontwerpen van tekensystemen die functioneren in de klas (bijv. rebus)

Klankverschijnselen en ritmische eigenschappen

Metrum en ritme

Woordvorming

Vergelijken enkelvoud en meervoud verkleinwoorden

De structuur van taal

Niet aan de orde

Ontwerpen van tekensystemen die functioneren in de klas (bijv. rebus)

Metrum en ritme

Vergelijken enkelvoud en meervoud verkleinwoorden

 

Wat is de gebruikelijke lesstof in de derde klas?

 

Wat staat er in de schema’s schrijven, lezen en mondeling voor de derde klas?

 

Gespreksvaardigheid en spreekvaardigheid

  1. alledaagse communicatie

Situaties uit klas beschrijven, daarbij oriënteren op documenterende functie

  1. institutionele communicatie

Vragen stellen over taak, daarbij reflecteren op specifiek zijn

  1. deelnemen aan diverse gespreksvormen

Deelnemen aan groepsgesprek, daarbij oriënteren en reflecteren op niet door elkaar praten

  1. uit- en overdragen van gedachten, meningen, gevoelens, wensen in de eigen taal

In gesprekjes over jezelf vertellen, bijvoorbeeld in een kringgesprek

  1. informatie geven

Gericht informatie geven op vraag, daarbij reflecteren op specifiek zijn

  1. verbale expressie

Dialogen uitspelen voor anderen, daarbij reflecteren op woordgebruik ter ondersteuning van karakter/ personage

  1. spreektechniek

intonatie

 

Luistervaardigheid

  1. alledaagse communicatie

Volgen van korte gesprekken en dialogen

  1. institutionele communicatie

Luisteren naar een speluitleg (gym), daarbij oriënteren op mobiliseren voorkennis

  1. luisteren in diverse gespreksvormen

Luisteren in klassikaal leergesprek, daarbij oriënteren op mobiliseren voorkennis

  1. luisteren naar informatieve teksten

Luisteren naar een beschrijvende tekst

  1. luisteren naar fictionele teksten

Luisteren naar moppen, anekdotes, dialogen, fabels en legenden

Bij alle items reflecteren op:reageren op luisterproces

 

Lezen van teksten

  1. lezen van fictionele teksten

Teksten met een eenvoudige structuur, daarbij oriënteren op mobiliseren voorkennis en reflecteren op het leesproces

  1. lezen van informatieve teksten

Beschrijving, daarbij oriënteren op mobiliseren voorkennis en reflecteren op reageren op informatie in de tekst

  1. leespromotie

kinderboekenweek

  1. technisch lezen

Vlot hardop lezen, intonatie

 

Schrijven van teksten

  1. oriëntatie op schrijven

Stof vinding

  1. schrijven van expressieve teksten

Schrijven van langere teksten (diverse inhoudselementen) beschrijving/ dialoog

  1. schrijven van informatieve teksten

Schrijven van langere teksten (diverse inhoudselementen) advertentie

  1. bespreken en herschrijven van teksten

Korte gesprekjes met leerkracht over onderwerp

  1. verzorgen (editeren) van teksten

Verdeling, bladspiegel

 

Hoe past de inhoud uit de schema’s taalbeschouwing daarin?

Alle items die genoemd worden in de schema’s taalbeschouwing, vinden hun plek in lessen mondelinge taalvaardigheden (spreken en luisteren) en schriftelijke taalvaardigheden (schrijven en lezen). Daarnaast is het niet perse noodzakelijk dat de inhoud in taallessen aan bod komt. Dit wordt taal bij andere vakken genoemd. Door  onderwerpen die bij elkaar passen of op elkaar aansluiten uit de verschillende schema’s in de voorbereiding op te nemen, ontstaat er samenhang in de periode. Het is ondoenlijk om alles aan bod te laten komen in één taalperiode. Iedere leerkracht maakt daarin de eigen keuze, maar door bij elkaar te plaatsen wat bij elkaar past en wat past bij de specifieke klas wordt het aanbod dekkend. In drie taalperiodes in het jaar, kan alles ruimschoots aan bod zijn gekomen. We geven twee voorbeelden van hoe in één periode verschillende items uit de verschillende schema’s tot een geheel kunnen worden gevormd, waarin taalbeschouwing op een geheel vanzelfsprekende wijze kon worden opgenomen in het aanbod.

 

 

Een voorbeeld van een periodevoorbereiding

vooraf

De schema’s

De periode

Een voorbeeld van een periodevoorbereiding

vooraf

De schema’s

De periode

 

 

12

 Een schets van de lesstof van de derde klas voor taalbeschouwing

 

De derde klas

‘Thuis raken in de wereld om je heen’ is het centrale thema van de derde klas. Hoe leven en werken wij? En hoe mensen die elders wonen? In veel lessen wordt aandacht besteed aan vaardigheden en ambachtelijkheid. Hoe maken mensen brood? Hoe werkt een bakker? Er wordt wel gezegd dat het de klas is waarin de kinderen hun ‘gouden kindertijd’ afsluiten. De kinderen stappen in in de cultuur, ze worden een kind van hun tijd. Ook uiterlijk is dat zichtbaar. Opeens worden bepaalde kleren afgedankt en hebben andere hun voorkeur. Veel kinderen dragen opeens petjes, of willen zelf bepalen hoe hun haar gedragen wordt.

Derde klassers zijn nieuwsgierig. Voortdurend wordt gevraagd hoe het zit. Iets weten, ergens verstand van hebben, of iets goed kunnen, wordt de graadmeter waarlangs volwassenen worden beoordeeld. Het is een voorbode van de ontwikkeling die zich het volgende jaar zal voortzetten. In de derde klas wisselen kinderen nog heel sterk in hun verhouding tot de autoriteit. Het ene moment ligt de leerkracht onder vuur, het andere moment wordt er haast gevochten wie er naast hem mag zitten. Voor het eerst beginnen vriendschappen te ontstaan die veel langer duren en emotioneel veel dieper ingrijpen.

In de vertelstof horen de kinderen de verhalen uit het oude testament. Daarin verlaten de mensen het paradijs en komt het volk later in opstand tegen Mozes hun leider. Zij bereiken het beloofde land. Het is een beeld voor de ontwikkeling die de derde klassers zelf ook doormaken, van de steeds verder vorderende individualisering. In de rekenperiodes wordt aandacht besteed aan het rekenen met geld en alle facetten van het geldverkeer. Bij handwerken breien kinderen vaak een eigen muts. In de taallessen wordt aandacht besteed aan tekstsoorten bij het zelf schrijven en bij het lezen. Er wordt aandacht besteed aan enkele haast ambachtelijke facetten van de verzorging, zoals het leren gebruiken van de juiste interpunctie. De kinderen kunnen met steeds meer afstand naar taal kijken en over taal spreken met elkaar. Vaak wordt aan het einde van de derde klas een periode huizenbouwen gepland. Niet alleen leren kinderen alles over huizen, metselverbanden, de verschillende beroepen die erbij komen kijken, maar vaak ook ontwerpen ze een eigen huis of hut. Wanneer een huis gebouwd wordt, sluit je dat af met het maken van een dak, zodat er plotseling een verschil ontstaat tussen binnen en buiten. In de overgang van de derde naar de vierde klas maken kinderen ook een grote stap in het ervaren van hun eigen binnenwereld en de buitenwereld.       

De derde klas inhoud

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat staat er in de schema’s van taalbeschouwing?

 

Gebruik van taal

Functies van taal

Taal zien als middel om te overtuigen

Communicatieve situaties

Passend taalgebruik (aanspreekvormen en woordgebruik)

Woord- en zinsbetekenis

Stijlfiguren (eufemisme)

Taalvariatie

Attitudes t.a.v. dialect en sociolect

Taal zien als middel om te overtuigen

Passend taalgebruik (aanspreekvormen en woordgebruik)

Stijlfiguren (eufemisme)

Attitudes t.a.v. dialect en sociolect

 

Vorm en klank van taal:

Tekensystemen

Herkennen van leestekens en kennen van de functie ervan

Klankverschijnselen en ritmische eigenschappen

Zinsmelodieën (proza)

Woordvorming

Vergelijken voor- en achtervoegsels

De structuur van taal

Niet gepland aan de orde

Herkennen van leestekens en kennen van de functie ervan

Zinsmelodieën (proza)

Vergelijken voor- en achtervoegsels

Niet gepland aan de orde

 

Wat is de gebruikelijke lesstof in de derde klas?

 

Wat staat er in de schema’s schrijven, lezen en mondeling voor de derde klas?

 

Gespreksvaardigheid en spreekvaardigheid

  1. alledaagse communicatie

Reageren op situatiebeschrijvingen, daarbij oriënteren op informatieve functies

  1. institutionele communicatie

Reageren op lesstof, daarbij reflecteren op assertief zijn

  1. deelnemen aan diverse gespreksvormen

In tweetallen probleem oplossen, daarbij oriënteren op aandacht vasthouden (inhoud) en reflecteren op ingaan op bijdragen van anderen

  1. uit- en overdragen van gedachten, meningen, gevoelens, wensen in de eigen taal

Eigen meningen en gevoelens verwoorden in een kleine groep

  1. informatie geven

Inhoud telefoongesprek doorgeven, daarbij reflecteren op essentie weergeven

  1. verbale expressie

Spreuken, gedichten individueel + korte presentatie voor groep, daarbij reflecteren op essentie van woordgebruik in korte teksten

  1. spreektechniek

Dictie, tonggymnastische spreekoefeningen

 

Luistervaardigheid

  1. alledaagse communicatie

Betrokken zijn in dialogen

  1. institutionele communicatie

Luisteren naar complexe instructie, daarbij oriënteren op luisterdoel bepalen en luisterstrategie verkennen

  1. luisteren in diverse gespreksvormen

Dialoog (ingaan op probleem van ander) , daarbij oriënteren op luisterdoel bepalen en luisterstrategie verkennen

  1. luisteren naar informatieve teksten

Luisteren naar routebeschrijving

  1. luisteren naar fictionele teksten

Luisteren naar gedichten, spreuken en oude testament

Bij alle items reflecteren op:reageren op verschillende luistersituaties

 

Lezen van teksten

  1. lezen van fictionele teksten

Verschillende genres (raamvertelling, legende, parabel, sprookje), daarbij oriënteren op leesdoel bepalen, leesstrategie verkennen en reflecteren op verschillende tekstsoorten

  1. lezen van informatieve teksten

Naslagwerken + eenvoudige informatieve teksten, daarbij oriënteren op leesdoel bepalen, leesstrategie verkennen en reflecteren op diverse leesstrategieën

  1. leespromotie

Boekentoptien in de klas

  1. technisch lezen

Voordrachtslezen voor kleuters

 

Schrijven van teksten

  1. oriëntatie op schrijven

Tekststructuur + tekstkenmerken

  1. schrijven van expressieve teksten

Schrijven van teksten met vaste conventies, zoals elf of rondeel

  1. schrijven van informatieve teksten

Schrijven voor grotere afstand publiek, zoals draaiboek of logboek

  1. bespreken en herschrijven van teksten

Gesprekjes in tweetallen over tekstkenmerken

  1. verzorgen (editeren) van teksten

Aandacht voor spelling en interpunctie

 

 

I1

 

 

Een schets van de lesstof van de vierde klas voor taalbeschouwing

 

De vierde klas

Een vierde klasser kijkt met meer afstand naar zichzelf, zijn klasgenoten en de wereld. Het besef dat iedereen eigen is en daarbij ook eigenaardigheden heeft dringt in deze leeftijd in volle omvang door tot de kinderen. Ze worden dan ook kritisch en kunnen dat vaak nog niet helemaal doseren. Onbedoelde sneren, onverwacht scherpe observaties, worden in de klas geuit. Onbehouwen uitingen van vriendschap ook:’Hé juffietje’, wanneer ze hun juf inhalen op de fiets. “Ha wie ben jij”, tegen de inspecteur, ‘en hoe moet je je koffie?’ En naast deze uitingen ontstaan de gesprekken waarin kinderen blijk geven van een diep vermogen tot invoelen. Eigen angsten en onzekerheden worden meer verwoord. Sommige kinderen worden weer bang in het donker, of voeren een tijdlang bezwerende handelingen uit ‘om te voorkomen dat hen iets overkomt’. ‘Altijd als ik naar school fiets, moet ik bij iedere geparkeerde rode auto met mijn rechterbeen ter hoogte van de voorwielen beneden zijn, dan heb ik een goede dag’, vertelde eens een vierde klasser aan zijn juf toen zij hem vroeg waarom hij toch zo vaak te laat kwam.

Vierde klassers denken steeds meer na over de wereld. Ze zien waar onrecht is. Het is de leeftijd van de acties en actieclubs.  Dierenleed wordt bestreden, geld wordt ingezameld om anderen elders in de wereld te ondersteunen.

In de lesstof zien we terug dat de vierde klasser niet alleen met meer afstand naar zichzelf kijkt, maar ook dat hij zichzelf in ruimte en tijd leert plaatsen. Bij aardrijkskunde leren de kinderen plattengronden tekenen. Ze leren de wereld als van bovenaf te zien. Bij rekenen worden de breuken geïntroduceerd en daarmee een heel nieuw getallenstelsel, waarbij het getal 1 opeens dezelfde waarde blijkt te hebben als bijvoorbeeld 2/2 of 45/45. In de taalperiode leren kinderen zichzelf in de tijd plaatsen. Ze leren dat je in je taal kan uitdrukken dat gebeurtenissen zich kunnen afspelen in verleden heden en toekomst. De vertelstof van het jaar, de Edda, voeren de goden een voortdurende rauwe strijd met reuzen, dwergen en andere natuurwezens. 

De vierde klas

De vierde klas inhoud

 

Wat staat er in de schema’s van taalbeschouwing?

 

Gebruik van taal

Functies van taal

 taal zien als middel om te beïnvloeden.

Communicatieve situaties

 registers

Woord- en zinsbetekenis

 spreekwoorden en gezegden

Taalvariatie

 verschijnsel meertaligheid

 

Taal zien als middel om te beïnvloeden

Kijken we nu naar de inhoud van de schema’s dan sluit dat aan bij de leeftijd. Wanneer je taal ziet als middel om te beïnvloeden, leer je je woorden kiezen en nuanceren om je doel te bereiken. Wanneer je aandacht vraagt voor iets dat je wil bereiken, is het handig als je weet hoe je mensen het beste kunt aanspreken. Wanneer je bijvoorbeeld een actie ‘tegen het schoppen en slaan in de pauze’ wil voeren, is het slim daar op zo’n manier aandacht voor te vragen dat ook kinderen uit andere klassen zich aangesproken voelen en mee willen werken om het doel te bereiken. Wanneer je een brief opstelt om aandacht voor een bepaald probleem te vragen, is het goed om te weten dat zo’n brief aan bepaalde kenmerken moet voldoen; er moet iets verteld worden over de achtergrond van het probleem, hoe het is ontstaan bijvoorbeeld, het probleem zelf moet duidelijk worden, maar de oplossing die je voor ogen hebt óók. Mensen moeten weten waar en bij wie ze terecht kunnen wanneer ze zich willen aansluiten bij de initiatiefgevers. Het vooraf aandacht te besteden aan de tekstkenmerken zo’n tekst is taalbeschouwingsonderwijs. In dit geval door in de oriëntatie, dus voordat er daadwerkelijk geschreven gaat worden, over dergelijke teksten te spreken en naar zulke teksten te kijken, leren de kinderen taal zien als middel om te beïnvloeden.

Registers

Kennis ontwikkelen van de verschillende registers, betekent dat je leert welke aanspreekvormen passend zijn voor welk moment. Het taalgebruik in een brief aan een burgemeester om aandacht te vragen voor de te kleine hokken van de beren in de dierentuin, is anders dan het taalgebruik in een brief naar oma om iets te weten te komen over het verleden. Een juf spreek je anders aan dan een klasgenoot en beleefd zijn is meer dan vragen of iemand koffie wil. Het is ook de manier waarop iets gezegd wordt.

Spreekwoorden en gezegden

Spreekwoorden en gezegden leren je iets over de historie van de taal. Vaak verbonden aan specifieke geografische plaatsen. Het behandelen daarvan zou bijvoorbeeld passen in een aardrijkskundeperiode waarin ook de historie van de directe leefomgeving van de kinderen wordt verkend. Zo is ‘voor Pampus liggen’, voor Amsterdamse kinderen een relevante uitdrukking. Pampus is een eiland voor Amsterdam waar schepen moesten wachten wanneer de wind verkeerd stond en de haven niet kon worden bereikt.

Meertaligheid

Door aandacht te besteden aan meertaligheid leren kinderen elkaar en de andere mensen beter kennen. Door het eigene, de eigenaardigheden in iedere taal te leren bekijken, vergroten kinderen hun besef van hoe de plaatst waar zij wonen, de taal die zij spreken zich verhoudt tot de rest van de wereld.

 

Vorm en klank van taal:

Tekensystemen

communiceren in een bestaand tekensysteem (gebarentaal, geheimtaal, iconen)

Klankverschijnselen en ritmische eigenschappen

alliteratie en stafrijm, woordspelingen op klank

Woordvorming

woorden die tijd en ruimte uitdrukken

De structuur van taal

niet gepland aan de orde

 

Communiceren in een bestaand tekensysteem

Vierde klassers hebben geheimen en kiezen wie ze in hun binnenwereld toelaten. Het is de leeftijd dat  echte vriendschappen ontstaan. Daarbij past het om oog te krijgen voor de verschillende teken systemen waarmee mensen communiceren. Wat betekent een opgetrokken wenkbrauw? Hoe kan je zien of mensen elkaar goed kennen? Maar ook: Hoe wordt een helikopter op het platform van het ziekenhuis geloodst? Hoe weten de piloten wat de gebaren betekenen? Kinderen zijn geboeid wanneer er met elkaar naar deze fenomenen wordt gekeken. In de vierde klas ontstaan vaak eigen geheimtalen, schriftelijke dan wel mondelinge, waarbij hele groepen kinderen leerkrachten of andere kinderen uitdagen om hen te begrijpen.

Alliteratie en stafrijm, woordspelingen op klank

De vertelstof van het jaar is oorspronkelijk in stafrijm geschreven. Door de beklemtoning van de (vaak) eerste lettergreep (‘hoort het verhaal van de Asen van Asgard, machtige Goden groot in getal’) ontstaat een krachtig metrum dat past bij de strijdlustige verhalen. De wakkerheid die nodig is om de alliteratie te versterken, bijvoorbeeld door met een stok in de hand op de grond te stampen, kanaliseert de energie van de wat drukkere kinderen en geeft vorm aan de bewegingsimpulsen. Andere en rustigere kinderen worden er juist door geactiveerd. Door naar alliteratie en woordspelingen op klank te kijken met elkaar, in gedichten, in verhalen ook, vergroten de kinderen hun gevoeligheid voor de schoonheid van de taal. Ze leren bijvoorbeeld dat een gedicht niet hoeft te rijmen om toch een gedicht te zijn. Ze leren dat er een vaste vorm kan zijn voor klank en metrum en dat zij dat ook kunnen gebruiken wanneer ze teksten maken. Of dat zij kunnen kiezen voor een vrije tekst met daarin woordspelingen op klank, die niet gebonden is aan een vast metrum. Een gedicht maken is meer dan rijmen alleen.  

 

Een voorbeeld van zo’n tekst, geschreven door een jongen uit de vierde klas:

 

over meisjes

 

gegiechel, gepriegel

koppen met doppen

smijten met proppen

en gooien met blikken

prikken in billen

dan gaan ze allemaal gillen

en daarna moet

je ze laten schrikken

 

Woorden die tijd en ruimte uitdrukken

Woorden die tijd uitdrukken zijn de werkwoorden. Wanneer je zegt ‘ik liep over straat’, dan weet de luisteraar onmiddellijk dat het al geweest is. Dat komt door het woordje liep. Vierde klassers kunnen zich hier opeens bewust van worden. De uitspraak van het meisje op pagina 83  ’Ik heb iets ontdekt thuis. Je zei toch dat we werkwoorden moesten verzamelen. Ik heb er drie en een halve bladzijde vol. (…) Iedere zin heeft een werkwoord. Ik heb er een boek bij gepakt. Het is echt waar.’ Is een typisch voorbeeld van hoezeer de lesstof aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de kinderen.

Woorden die ruimte uitdrukken zijn van een andere orde; het zijn de voorzetsels bijvoorbeeld.

 

Wat is de gebruikelijke lesstof in de vierde klas?

Werkwoorden en werkwoordsvervoegingen, woordsoorten, getekende zinnen, stafrijm, brieven schrijven, toneelstuk van Thor die zijn hamer kwijt was.

 

Wat staat er in de schema’s schrijven, lezen en mondeling voor de vierde klas?

 

Gespreksvaardigheid en spreekvaardigheid

  1. alledaagse communicatie

inspelen op elkaar in gesprek, daarbij oriënteren op de communicatieve functie van taal

  1. institutionele communicatie

reageren op elkaars werk, daarbij reflecteren op invoelend zijn

  1. deelnemen aan diverse gespreksvormen

monoloog houden, daarbij oriënteren en reflecteren op aandacht vasthouden

  1. uit- en overdragen van gedachten, meningen, gevoelens, wensen in de eigen taal

meningen, gevoelens van anderen verwoorden voor de klas

  1. informatie geven

iemand de weg uitleggen, daarbij reflecteren op concreet benoemen

  1. verbale expressie

allitererende gedichten, de rol van pauzes en stiltes, daarbij reflecteren op de rol van de voordracht

  1. spreektechniek

articulatie

 

Luistervaardigheid

  1. alledaagse communicatie

actief reageren op

  1. institutionele communicatie

luisteren naar uiteenzetting lesstof, daarbij oriënteren op luisterhouding en aantekeningen maken

  1. luisteren in diverse gespreksvormen

luisteren naar een monoloog en een uiteenzetting, daarbij oriënteren op luisterhouding en aantekeningen maken

  1. luisteren naar informatieve teksten

luisteren naar massamedia (radio en tv)

  1. luisteren naar fictionele teksten

luisteren naar voordrachten oud IJslandse en Noorse mythologie (Edda)

Bij alle items reflecteren op:reageren op functie, aantekeningen en attitudes

 

Lezen van teksten

  1. lezen van fictionele teksten

verhalen in ik- perspectief en tijdsperspectief, daarbij oriënteren op teksten herkennen op basis van titel, inhoud e.d., daarbij reflecteren op gedachten, gevoelens hoofdpersoon

  1. lezen van informatieve teksten

zaakvakteksten, samenvatting, gebruiksaanwijzing daarbij oriënteren op teksten herkennen op basis van titel, inhoud e.d., daarbij reflecteren op kenmerken schoolse zaakvakteksten

  1. leespromotie

leeslogboek

  1. technisch lezen

voordrachtslezen voor groot publiek

 

Schrijven van teksten

  1. oriëntatie op schrijven

doel en publieksgerichtheid

  1. schrijven van expressieve teksten

schrijven van een stripverhaal, (brief) schrijven in een tijdsperspectief

  1. schrijven van informatieve teksten

krantenbericht, brief, e-mail, routebeschrijving

  1. bespreken en herschrijven van teksten

gesprekken in groepjes over doel en publiek, gesprekken over schrijfaanpak

  1. verzorgen (editeren) van teksten

alinea’s, titels en kopjes

 

 

1

 

Een schets van de lesstof van de vijfde klas voor taalbeschouwing

 

De vijfde klas 

Het is pauze in een vijfde klas. Kinderen hangen rond elkaars tafeltje en zijn druk in gesprek. Het afgelopen weekend wordt besproken, de tv programma’s doorgenomen en en passant wordt een huwelijkscrisis geëvalueerd. Aan een ander tafeltje zit een groepje een kaartspelletje te doen. Enkele klasgenoten kijken toe en moedigen aan. Elders bekijken kinderen met elkaar een nieuw naslagwerk over Egypte.

In de vijfde klas vormen de kinderen vaak een hechte groep. Het wordt minder vanzelfsprekend om de volwassenen bij hun leven te betrekken. De kinderen praten graag met elkaar over wat hen bezig houdt. Ze leven mee en nemen steeds krachtiger stelling tegen onrecht. Regelmatig gaan ze daarbij over de schreef, want genuanceerd oordelen is nog niet een vaardigheid die bij deze leeftijd hoort. Het is ook de klas waarin pest en plaaggedrag opeens kan ontaarden. Klassengesprekken waarin de kinderen leren naar elkaar te luisteren en zich uit te spreken voor elkaar, zijn van groot belang. Het denken wordt onderzocht, er wordt geëxperimenteerd met denkbeelden, ze nemen stelling, en vergelijken de verschillende gezichtspunten.

In de lesstof worden steeds grotere verbanden gelegd. In de periode aardrijkskunde bijvoorbeeld wordt een ogenschijnlijk alledaags product door de kinderen onderzocht. De kinderen moeten nagaan welke weg een product heeft afgelegd voordat het bij hen thuis is. Bij het onderzoek naar deze weg komen ze vanzelfsprekend heel veel mensen tegen die op een of andere manier met elkaar te maken hebben of zelfs van elkaar afhankelijk zijn.

In de geschiedenisperiodes wordt een overzicht gegeven van de oude culturen, India, Perzië, Egypte tot de Grieken. Bij de plantkunde wordt een overzicht gegeven van alle soorten en families, van paddestoelen tot tweezaadlobbigen. De vertelstof van dit jaar is de Griekse mythen en sagen, waarin de Goden worstelen met menselijke eigenschappen als jalousie en wraakzucht.    

 

De vijfde klas inhoud

Wat staat er in de schema’s van taalbeschouwing?

 

Gebruik van taal

Functies van taal

De rol van argumentatie, onderscheid feiten en meningen

Communicatieve situaties

Stijl van uitingen teksten

Woord- en zinsbetekenis

Vaktaal en jargon

Taalvariatie

Attitudes t.a.v. vreemde talen

De rol van argumentatie, onderscheid feiten en meningen

Stijl van uitingen teksten

Vaktaal en jargon

Attitudes t.a.v. vreemde talen

 

Vorm en klank van taal:

Tekensystemen

Vergelijken van tekensystemen en klanken in verschillende vreemde talen en oude culturen

Klankverschijnselen en ritmische eigenschappen

Teksten met klankconventies zoals hexameter, limerick

Woordvorming

Woordsoortverandering (-loos, -ing, -sel,

-baar)

De structuur van taal

Niet gepland aan de orde

Vergelijken van tekensystemen en klanken in verschillende vreemde talen en oude culturen

Teksten met klankconventies zoals hexameter, limerick

Woordsoortverandering (-loos, -ing, -sel, -baar)

Niet gepland aan de orde

 

Wat is de gebruikelijke lesstof in de vijfde klas?

 

Wat staat er in de schema’s schrijven, lezen en mondeling voor de vijfde klas?

 

Gespreksvaardigheid en spreekvaardigheid

  1. alledaagse communicatie

Standpunt innemen, daarbij oriënteren op de conceptualiserende functie

  1. institutionele communicatie

Opdracht aan een ander uitleggen, daarbij reflecteren op eenduidig zijn

  1. deelnemen aan diverse gespreksvormen

Leiden van een groepsgesprek, daarbij oriënteren en reflecteren op beurtverdeling

  1. uit- en overdragen van gedachten, meningen, gevoelens, wensen in de eigen taal

Rollenspel, informele situaties

  1. informatie geven

Presentatie houden, daarbij reflecteren op informatie doseren

  1. verbale expressie

Hexameter + langere (eigen) teksten en gedichten, daarbij reflecteren op rol van de verbeelding

  1. spreektechniek

klankkleur

 

Luistervaardigheid

  1. alledaagse communicatie

Volgen van gesprek

  1. institutionele communicatie

Luisteren naar richtlijnen taakaanpak, daarbij oriënteren op bepalen luisterstrategie

  1. luisteren in diverse gespreksvormen

Luisteren als leider groepsgesprek, daarbij oriënteren op bepalen luisterstrategie

  1. luisteren naar informatieve teksten

Luisteren naar luisterteksten

  1. luisteren naar fictionele teksten

Luisteren naar toneeltekst en Griekse mythen en sagen en epen uit andere culturen

Bij alle items reflecteren op:reageren op luisterstrategieën

 

Lezen van teksten

  1. lezen van fictionele teksten

Teksten met niet chronologisch tijdsverloop, daarbij oriënteren op leesstrategie bepalen

  1. lezen van informatieve teksten

Teksten met achtergrondinformatie + internet raadplegen, daarbij oriënteren op leesstrategie bepalen

  1. leespromotie

kinderjury

  1. technisch lezen

Zie bij verbale expressie, schema gespreksvaardigheden en spreekvaardigheden

 

Schrijven van teksten

  1. oriëntatie op schrijven

Nadenken over schrijfaanpak

  1. schrijven van expressieve teksten

Schrijven van een toneeltekst (dialoog)

  1. schrijven van informatieve teksten

Schrijven van een handleiding, draaiboek, verslag

  1. bespreken en herschrijven van teksten

Voeren gesprekken over schrijfproces / strategieën

  1. verzorgen (editeren) van teksten

Meer tekstconventies (zoals het gebruik van afkortingen, directe- indirecte rede)

 

1

 

Een schets van de lesstof van de zesde klas klas voor taalbeschouwing

 

De zesde klas

In de zesde klas kondigt zich de puberteit aan. De vanzelfsprekendheid van de wereld gaat verloren. Het goede overwint niet altijd meer. Rechtvaardig zijn, consequent zijn, en de waarheid spreken staan hoog op de agenda in de klassengesprekken. Het is ook de klas waarin de kinderen opeens serieus willen werken. De kinderen vragen om duidelijke regels en sancties wanneer er wordt afgeweken van de afspraken. Ze willen inzicht in het handelen van de leerkrachten. Wanneer ze weten waarom ze de dingen moeten leren, kunnen ze een grote betrokkenheid tonen. Deze inzet vraagt van de leerkrachten een verandering in hun houding naar de kinderen toe, van autoriteit tot begeleider en bewaker van processen.

Dat wat waar is is belangrijk. Of iets ‘echt gebeurd is’, of iets meetbaar is, is van belang. Een spelletje buiten speel je niet voor de lol, je speelt om te winnen. Een voetbal of trefbalcompetitie met een andere school in de buurt, wordt uiterst serieus voorbereid en uitgespeeld. In de periode Middeleeuwen wordt de geschiedenis van het Christendom naast die van de Islam besproken. De biografieën van Mohammed en van Karel de Grote worden bijvoorbeeld bestudeerd. Encyclopedieën, informatie van het internet, informatieve teksten uit studieboeken worden gelezen en vergeleken. Wat is de waarheid? Hoe denken de volwassenen daar over? De kinderen beginnen zich in te leven in verschillende standpunten naast elkaar. Een ontwikkeling die de hele verdere puberteit nog zal doorgaan. Voor het eerst hebben de kinderen een natuurkunde periode, waarin fenomenen uit de gebieden licht, warmte, geluid, magnetisme en elektriciteit worden bekeken en conclusies worden getrokken: ik had, ik deed, ik zag en ik concludeerde. In de meetkundeperiode construeren kinderen hun meetkunde tekeningen heel precies. Ze leren dat daardoor de schoonheid ontstaat. Elke minimale afwijking van lijn of cirkel verstoord de geometrie. Op deze wijze scholen kinderen hun exacte waarneming. Wanneer deze tekeningen die tenslotte met geduld en zorgvuldig gekozen kleuren zijn afgewerkt op de gangen in school hangen, stijgen de zesdeklassers nog meer in aanzien in de hele school. Overal wordt hun werk uitgebreid bewonderd en besproken door kinderen uit andere klassen. Zij zijn met recht de klas geworden waartegen wordt opgekeken; ze zijn de oudsten van de school. 

 

De zesde klas inhoud

 

 

 

 

 

Wat staat er in de schema’s van taalbeschouwing?

 

Gebruik van taal

Functies van taal

Soorten argumenten de deugdelijkheid van argumenten (jij-bak, drogreden e.d.)

Communicatieve situaties

Mate van open- en geslotenheid situaties

Woord- en zinsbetekenis

Betekenis omschrijven en vaststellen (definities)

Taalvariatie

Attitudes t.a.v. meertaligheid

Soorten argumenten de deugdelijkheid van argumenten (jij-bak, drogreden e.d.)

Mate van open- en geslotenheid situaties

Betekenis omschrijven en vaststellen (definities)

Attitudes t.a.v. meertaligheid

 

Vorm en klank van taal:

Tekensystemen

Bekijken programmeertaal computer en andere voorbeelden van taalcodes

Klankverschijnselen en ritmische eigenschappen

Klankverwantschap tussen talen + onomatopeeën

Woordvorming

Bastaardwoorden, neologismen

De structuur van taal

Kijken naar wetmatigheden in de taal (onderwerp, persoonsvorm, belangrijkste woordsoorten)

Bekijken programmeertaal computer en andere voorbeelden van taalcodes

Klankverwantschap tussen talen + onomatopeeën

Bastaardwoorden, neologismen

Kijken naar wetmatigheden in de taal (onderwerp, persoonsvorm, belangrijkste woordsoorten)

 

Wat is de gebruikelijke lesstof in de zesde klas?

 

Wat staat er in de schema’s schrijven, lezen en mondeling voor de zesde klas?

 

Gespreksvaardigheid en spreekvaardigheid

  1. alledaagse communicatie

Standpunt beargumenteren, daarbij oriënteren op overredend zijn

  1. institutionele communicatie

Verslag doen van groepswerk, daarbij reflecteren op onpartijdig zijn

  1. deelnemen aan diverse gespreksvormen

Leiden discussie, daarbij oriënteren en reflecteren op voortgang bewaken

  1. uit- en overdragen van gedachten, meningen, gevoelens, wensen in de eigen taal

Deelnemen aan een rollenspel formele situaties

  1. informatie geven

Samenvatting van een studietekst geven, daarbij reflecteren op hoofdzaken / kern weergeven

  1. verbale expressie

Verhaal vertellen, prozatekst, gedichten uit de literatuur, daarbij reflecteren op vorm geven aan essentie uit tekst

  1. spreektechniek

Relatie spreektechniek en situatie

 

Luistervaardigheid

  1. alledaagse communicatie

Betrokken zijn in gesprek in context met veel ruis

  1. institutionele communicatie

Luisteren naar huiswerkopdracht, daarbij oriënteren op creëren van optimale luistervoorwaarden

  1. luisteren in diverse gespreksvormen

Luisteren als leider discussie, daarbij oriënteren op creëren van optimale luistervoorwaarden

  1. luisteren naar informatieve teksten

Luisteren naar presentatie

  1. luisteren naar fictionele teksten

Luisteren naar hoorspel en Romeinse geschiedschrijving

Bij alle items reflecteren op:reageren op belemmerende en bevorderende factoren

 

Lezen van teksten

  1. lezen van fictionele teksten

Teksten met wisselend vertellers perspectief, daarbij oriënteren op zelfstandig teksten kiezen rondom een thema

  1. lezen van informatieve teksten

Zelfstandig verwerken van studieteksten (encyclopedie etc.), daarbij oriënteren op zelfstandig teksten kiezen rondom een thema

  1. leespromotie

Schrijvers op school

  1. technisch lezen

Zie bij verbale expressie, schema gespreksvaardigheden en spreekvaardigheden

 

Schrijven van teksten

  1. oriëntatie op schrijven

Maximaal doel- en publiekgericht (publiek onbekend)

  1. schrijven van expressieve teksten

Schrijven van een column + grote mate van zelfstandig werken

  1. schrijven van informatieve teksten

Schrijven van een recensie

  1. bespreken en herschrijven van teksten

Leiden van een tekstbespreking

  1. verzorgen (editeren) van teksten

Werken met tekstverwerkingsprogramma’s